De sfeer was zonder meer euforisch en aanstekelijk. FNV-voorzitter Spekman pookte met een prima speech de gemoederen op en beide partijvoorzitters vormden een duet om met hun optimistische grafredes beide bloedgroepen op maat te bedienen. Jesse Klaver klom na de uitslag op het podium om de feestvreugde met een puur links PvdA-verhaal, waarin de woorden migratie, asiel en klimaat ontbraken, tot een kookpunt te brengen.
Een portret van GroenLinks
Een week eerder was de uitvaart van GroenLinks in De Wester in Amsterdam. Dat was een tamelijk ingetogen gebeurtenis met wat toespraken, waaronder vreemd genoeg twee PvdA’ers (partijvoorzitter Esther-Mirjam Sent en oud-Tweede Kamerlid Attje Kuiken) en een bizar cabaresk/muzikaal intermezzo.
Hoogtepunt was de presentatie van het boek Een portret van GroenLinks, Persoonlijke verhalen uit de partij. Het boek beoogt een soort geschiedschrijving van GroenLinks te geven aan de hand van verhalen van een aantal hoofdrolspelers.
In hun dankwoord dekken de auteurs (Lara de Brito en Sara Madou) zich in tegen de te verwachten kritiek dat veel van wat wordt verteld, en hoe dit door hen aan elkaar geschreven is, sterk gekleurd is. ‘Het is geen feitelijke geschiedschrijving. Sommige stemmen blijven in dit boek onderbelicht, het is een selectie.’ Het is dan ook een boek zonder bronvermeldingen of notenapparaat.
Begonnen wordt met een beschrijving van de totstandkoming van GroenLinks, waarin een kleine groep doorgewinterde leden van PPR, PSP en CPN min of meer in het geheim een aantal gebeurtenissen creëert, wat er in 1989 toe leidt dat deze partijen onder de vlag van GroenLinks in 1989 aan de Tweede Kamerverkiezingen deelneemt. Uiteraard gebeurt dit niet in een vacuüm. Politieke, economische en electorale factoren leiden ertoe dat deze drie kleine, links partijen, die in de jaren 1980 steeds marginaler worden, naar elkaar toegroeien, vooral op Europees en lokaal niveau. Dit wordt wel aangestipt in het boek; ongenoemd blijft de rol die de Linkse Doorbraak in het midden van de jaren 1980 heeft gespeeld als mede-wegbereider voor wat een paar jaar later GroenLinks zou worden.
Het boek behandelt verder de geschiedenis van GroenLinks vooral op landelijk niveau, waarbij de verhalen van een aantal prominenten Tweede Kamerleden aan elkaar worden geschreven. Niet altijd in chronologische volgorde, waardoor bij het regelmatige gebrek aan jaartallen de minder goed ingevoerde lezer het spoor bijster zal raken. In drie hoofdstukken worden de periodes Rosenmöller (1989-2002), Halsema (2002-2010) en Klaver (2012-2026) beschreven.
Rosenmöller
Paul Rosenmöller, die als vierde, en eerste ‘onafhankelijke’, kandidaat op de GroenLinkse lijst staat voor de Tweede Kamerverkiezingen in 1989 blijkt zijn eerste periode als kamerlid moeilijk te wennen aan de strijd tussen de drie vrouwen, Beckers (PPR), van Es (PSP) en Brouwer (CPN). Zij zijn de nummers een, twee en drie zijn, en blijken als leiders van hun eigen partij, moeilijk te kunnen samenwerken. Wat niet aan de orde komt is dat Rosenmöller die eerste periode krachtig door Hans Siepel (voorlichter van de fractie in die tijd) wordt aangeraden om zijn vakbondsveren af te schudden en bijvoorbeeld iets ‘feministisch’ te doen, wat op een publicitaire ramp uitdraaide.
Wat uiteraard wel aan de orde komt is dat Rosenmöller zich in de periode van zijn fractievoorzitterschap (1994-2002) ontpopt als begenadigd fractievoorzitter, verkiezingen in 1998 won (van 5 naar 11 zetels) en de onomstreden leider van de oppositie is tijdens de Paars I. Dat kabinetsbeleid karakteriseerde hij raak als private rijkdom en publieke armoede. Onduidelijk blijft het boek over een van de meest prangende kwesties tijdens de Rosenmöller periode: de bombardementen van de NAVO in 1999 op Servië, om zo het geweld van Servië in Kosovo te stoppen. De Tweede Kamerfractie steunt in meerderheid deze bombardementen. Dat leidt tot grote beroering in de partij, waar antimilitaristische en pacifistische opvattingen nog sterk aanwezig zijn. De toen nog bestaande partijraad steunt de fractie (stemverhouding 20-15). De verschillende opvattingen in de partij over oorlog en vrede, en meer in het bijzonder over de NAVO, krijgt een vervolg op het congres in 2000, dat tegen de zin van de Tweede Kamerfractie besluit dat de NAVO vervangen zou moeten worden door een permanente VN-vredesmacht.
Het boek laat dit inhoudelijk zo belangrijke punt links liggen en focust op de politieke lijn die onder Rosenmöller is ingezet om ‘kabinetsfähig’ te worden, door met alternatieven voor slecht regeringsbeleid te komen en persoonlijke, goede relaties op te bouwen ‘met de rechterkant van het spectrum, in plaats van dat je a priori kritisch bent’. Met de aanslagen op het World Trade Center (11-9-2001) en de moord op Pim Fortuyn (6-5-2002) keert het maatschappelijk en politiek tij. Rosenmöller is nog wel lijsttrekker bij de Kamerverkiezingen van 15 mei 2002 (verlies één zetel, van 11 naar 10), maar schuift in november Femke Halsema naar voren als zijn opvolger.
Halsema
Over de periode Femke Halsema (2002-2010) is Een portret van Groenlinks het meest gekleurd. Beeldend -en positief- wordt beschreven hoe zij GroenLinks meeneemt in haar vrijzinnige, sociaaleconomische koers, die resulteert in de nota ‘Vrijheid Eerlijk Delen’ (2005). Hierin klinken rechts-liberale opvattingen door, waarin gekozen wordt voor flexwerkers, het aanpakken van AOW, versoepeling van het ontslagrecht en een ondergraving van de positie van de vakbonden. Dit alles onder de vlag van emancipatie als ‘drager van de economie en het arbeidsmarktbeleid’. De tegenstelling tussen arbeid en kapitaal wordt vervangen door tegenstellingen tussen jong en oud, man en vrouw, flexwerker en werknemer.
Ook anno 2026 geïnterviewd in het boek verdedigt ze haar opvattingen van toen, met kritiek op de vakbeweging ‘die zaten oude arbeiders te verdedigen, die inmiddels middenklassers waren geworden, met goudgerande pensioenrekeningen, terwijl de jongste generaties niets hadden’.
‘Vrijheid Eerlijk Delen’ leidt tot vernietigende reacties vanuit de vakbeweging. Vijf prominente vakbondsleden, lid van GroenLinks, betitelen haar opvattingen in de Volkskrant als ‘wartaal’ en ‘modieus liberaal geneuzel’. Wat pesterig roept de jongerenbeweging van de VVD haar in 2006 uit als liberaal van het jaar.
Ook binnen GroenLinks valt de nota slecht. De groep Kritisch GroenLinks, die in 2006 ontstaat, publiceert een manifest dat door honderden leden wordt ondertekend.
Dat manifest bekritiseert niet alleen de liberale koers van Halsema. Ook het uithollen van de partijdemocratie moet het ontgelden. Alsmede het elitaire karakter, het gebrek aan contacten met buitenparlementaire beweging, de dominante positie van de Tweede Kamerfractie en het ontdoen van het partijbestuur van elke politieke betekenis. Op het eerstvolgend congres in februari 2007 wordt met 80% van de stemmen een motie van deze kritische vleugel aangenomen dat een vrij en principieel debat vraagt over de koers en de het imago van de partij.
In Een portret van Groenlinks wordt met geen woord gerept over de kritiek die in -en buiten- de partij wordt geuit op de koers van Halsema.
Van Ojik
De motie leidt tot een rapport van de commissie Van Ojik, Scoren in de linkerbovenhoek, dat in grote lijnen de kritiek van het Kritisch GroenLinks-manifest onderbouwt.
De vrijzinnig liberale koers van Halsema, in nog sterkere mate ondersteunt tijdens de korte periode dat haar opvolgster Jolande Sap aan het roer zit (2010-2012), leidt tot een serie nederlagen in verkiezingen vanaf 2003 tot 2012 (met als enige uitzondering 2010, de enige keer dat er sprake is van zetelwinst, van 7 naar 10). In 2012 worden slechts vier zetels gehaald, het absolute dieptepunt. Directe concurrenten PvdA en SP zijn in deze periode aanmerkelijk succesvoller. Ook dit type feitelijke gegevens -en verklaringen- ontbreken in de ‘persoonlijke verhalen uit de partij’.
De ommekeer komt na 2012, als Bram van Ojik de al snel aftredende Sap opvolgt en een linkse, sociaaleconomische koers gaat varen. Een koers die met vallen en opstaan wordt gevolgd door Jesse Klaver die op 13 juni 2026 op het oprichtingscongres van Progressief Nederland de uitgestoken hand van FNV-voorzitter Spekman aanneemt en verklaart, onder luid applaus, dat FNV en PRO elkaar niet zullen loslaten in hun strijd voor een eerlijker Nederland.
De laatste twee hoofdstukken verlaten het Binnenhof en hebben ‘verhalen uit de partij’ van elders: enkele wethouders en de Europese fractie komen aan het woord. Provinciale Statenfracties, Eerste Kamerfractie en afdelingen hebben blijkbaar volgens de samenstellers niets te melden.
Storende fouten
Storend is overigens dat er fouten in de tekst zitten die de meelezende stafleden van het Wetenschappelijk Bureau toch zeker hadden moeten opmerken. Enkele voorbeelden. De grote PSP-manifestatie die Joost Lagendijk zich herinnert, was niet een anti-NAVO demonstratie, maar een feest ter gelegenheid van het 20-jarig bestaan van de PSP op 16 april 1977 in de Merwedehal in Utrecht, waar de (Oost-)Duitse protestzanger Wolf Biermann optrad (blz. 14).
Ook vergist Joost zich– en de schrijvers nemen dit over – dat het tijdschrift de Helling een samenvoeging is van de drie tijdschriften die de Wetenschappelijke Bureaus van PSP, PPR en CPN. Het was de Stichting Vorming en Scholing van de PSP (SVS/PSP) die Socialistisch Perspectief uitgaf, dat fuseerde met Komma van de CPN en Radikale Notities van de PPR. En Joost was lid van het bestuur van de SVS/PSP (blz. 20).
Helemaal bont wordt het op blz. 23 waar twee keer staat geschreven dat de PPR in de jaren 1980 vier Tweede Kamerzetels had. Dat waren er drie in 1981, twee in 1982 en twee in 1986.
Op blz. 36 verhaalt Wim de Boer over die glorieuze dag (19 mei 1989, ‘een van de mooiste dagen van mijn leven’ onthult de Boer) dat de onderhandelingen over het programma om 5 uur ’s morgens zijn afgerond en er ’s avonds een bijeenkomst is van samenwerkingsfracties in de Beurs in de Amsterdam. Ik geef hem een envelop waar de samenwerkingsovereenkomst in zit (zetelverdeling e.d.) en niet het overeengekomen verkiezingsprogramma, noch blanco A4tjes.
Een paar keer wordt geschreven dat Marijke Vos de eerste partijvoorzitter was (blz. 41, 43). Zij was de tweede, en ik de eerste. Al was ik uiteraard niet gekozen door een GroenLinks congres, want dat was er in 1989 nog niet. Het eerste GroenLinks bestuur, waar ik voorzitter van was, werd gevuld met twee partijbestuursleden van de fuserende partijen, alsmede van de Vereniging GroenLinks.
Onbetrouwbare bron
Een portret van Groenlinks is dus zeker geen betrouwbare geschiedschrijving van GroenLinks. Dat beoogt het ook niet te zijn – en daarmee is het ook geen betrouwbare bron.
Het zou veel beter geweest zijn als er wél een serieus boek over de geschiedenis van GroenLinks was geschreven, gebruikmakend van de twee boeken die eerder door wetenschappers zijn geschreven: Verloren illusie, geslaagde fusie, Groenlinks in historisch en politicologisch perspectief (1999) en Van de straat naar de staat, GroenLinks 1990-2010 (2010). Maar wat niet is, kan nog komen.
Geen opmerkingen:
Een reactie posten