Zoeken in deze blog

donderdag 25 juni 2026

Geboorte van PRO en begrafenis van GroenLinks

Progressief Nederland is een feit. GroenLinks en PvdA zijn geschiedenis. De bijeenkomst op 13 juni in de Brabanthallen in Den Bosch, waar zo’n zesduizend leden bijeen waren, droeg misleidend de naam congres. Zonder mogelijkheid tot discussie en het indienen van andere voorstellen werd in een gladde show met overdonderende visuele hulpmiddelen door een overgrote meerderheid besloten te fuseren. Statuten, huishoudelijk reglement en beginselprogramma werden met het besluit tot fusie impliciet vastgesteld. 
De sfeer was zonder meer euforisch en aanstekelijk. FNV-voorzitter Spekman pookte met een prima speech de gemoederen op en beide partijvoorzitters vormden een duet om met hun optimistische grafredes beide bloedgroepen op maat te bedienen. Jesse Klaver klom na de uitslag op het podium om de feestvreugde met een puur links PvdA-verhaal, waarin de woorden migratie, asiel en klimaat ontbraken, tot een kookpunt te brengen. 




Een portret van GroenLinks 

Een week eerder was de uitvaart van GroenLinks in De Wester in Amsterdam. Dat was een tamelijk ingetogen gebeurtenis met wat toespraken, waaronder vreemd genoeg twee PvdA’ers (partijvoorzitter Esther-Mirjam Sent en oud-Tweede Kamerlid Attje Kuiken) en een bizar cabaresk/muzikaal intermezzo. Hoogtepunt was de presentatie van het boek Een portret van GroenLinks, Persoonlijke verhalen uit de partij. Het boek beoogt een soort geschiedschrijving van GroenLinks te geven aan de hand van verhalen van een aantal hoofdrolspelers. 
In hun dankwoord dekken de auteurs (Lara de Brito en Sara Madou) zich in tegen de te verwachten kritiek dat veel van wat wordt verteld, en hoe dit door hen aan elkaar geschreven is, sterk gekleurd is. ‘Het is geen feitelijke geschiedschrijving. Sommige stemmen blijven in dit boek onderbelicht, het is een selectie.’ Het is dan ook een boek zonder bronvermeldingen of notenapparaat. 
Begonnen wordt met een beschrijving van de totstandkoming van GroenLinks, waarin een kleine groep doorgewinterde leden van PPR, PSP en CPN min of meer in het geheim een aantal gebeurtenissen creëert, wat er in 1989 toe leidt dat deze partijen onder de vlag van GroenLinks in 1989 aan de Tweede Kamerverkiezingen deelneemt. Uiteraard gebeurt dit niet in een vacuüm. Politieke, economische en electorale factoren leiden ertoe dat deze drie kleine, links partijen, die in de jaren 1980 steeds marginaler worden, naar elkaar toegroeien, vooral op Europees en lokaal niveau. Dit wordt wel aangestipt in het boek; ongenoemd blijft de rol die de Linkse Doorbraak in het midden van de jaren 1980 heeft gespeeld als mede-wegbereider voor wat een paar jaar later GroenLinks zou worden. 
Het boek behandelt verder de geschiedenis van GroenLinks vooral op landelijk niveau, waarbij de verhalen van een aantal prominenten Tweede Kamerleden aan elkaar worden geschreven. Niet altijd in chronologische volgorde, waardoor bij het regelmatige gebrek aan jaartallen de minder goed ingevoerde lezer het spoor bijster zal raken. In drie hoofdstukken worden de periodes Rosenmöller (1989-2002), Halsema (2002-2010) en Klaver (2012-2026) beschreven. 

Rosenmöller 

Paul Rosenmöller, die als vierde, en eerste ‘onafhankelijke’, kandidaat op de GroenLinkse lijst staat voor de Tweede Kamerverkiezingen in 1989 blijkt zijn eerste periode als kamerlid moeilijk te wennen aan de strijd tussen de drie vrouwen, Beckers (PPR), van Es (PSP) en Brouwer (CPN). Zij zijn de nummers een, twee en drie zijn, en blijken als leiders van hun eigen partij, moeilijk te kunnen samenwerken. Wat niet aan de orde komt is dat Rosenmöller die eerste periode krachtig door Hans Siepel (voorlichter van de fractie in die tijd) wordt aangeraden om zijn vakbondsveren af te schudden en bijvoorbeeld iets ‘feministisch’ te doen, wat op een publicitaire ramp uitdraaide. 
Wat uiteraard wel aan de orde komt is dat Rosenmöller zich in de periode van zijn fractievoorzitterschap (1994-2002) ontpopt als begenadigd fractievoorzitter, verkiezingen in 1998 won (van 5 naar 11 zetels) en de onomstreden leider van de oppositie is tijdens de Paars I. Dat kabinetsbeleid karakteriseerde hij raak als private rijkdom en publieke armoede. Onduidelijk blijft het boek over een van de meest prangende kwesties tijdens de Rosenmöller periode: de bombardementen van de NAVO in 1999 op Servië, om zo het geweld van Servië in Kosovo te stoppen. De Tweede Kamerfractie steunt in meerderheid deze bombardementen. Dat leidt tot grote beroering in de partij, waar antimilitaristische en pacifistische opvattingen nog sterk aanwezig zijn. De toen nog bestaande partijraad steunt de fractie (stemverhouding 20-15). De verschillende opvattingen in de partij over oorlog en vrede, en meer in het bijzonder over de NAVO, krijgt een vervolg op het congres in 2000, dat tegen de zin van de Tweede Kamerfractie besluit dat de NAVO vervangen zou moeten worden door een permanente VN-vredesmacht. 
Het boek laat dit inhoudelijk zo belangrijke punt links liggen en focust op de politieke lijn die onder Rosenmöller is ingezet om ‘kabinetsfähig’ te worden, door met alternatieven voor slecht regeringsbeleid te komen en persoonlijke, goede relaties op te bouwen ‘met de rechterkant van het spectrum, in plaats van dat je a priori kritisch bent’. Met de aanslagen op het World Trade Center (11-9-2001) en de moord op Pim Fortuyn (6-5-2002) keert het maatschappelijk en politiek tij. Rosenmöller is nog wel lijsttrekker bij de Kamerverkiezingen van 15 mei 2002 (verlies één zetel, van 11 naar 10), maar schuift in november Femke Halsema naar voren als zijn opvolger. 

Halsema 

Over de periode Femke Halsema (2002-2010) is Een portret van Groenlinks het meest gekleurd. Beeldend -en positief- wordt beschreven hoe zij GroenLinks meeneemt in haar vrijzinnige, sociaaleconomische koers, die resulteert in de nota ‘Vrijheid Eerlijk Delen’ (2005). Hierin klinken rechts-liberale opvattingen door, waarin gekozen wordt voor flexwerkers, het aanpakken van AOW, versoepeling van het ontslagrecht en een ondergraving van de positie van de vakbonden. Dit alles onder de vlag van emancipatie als ‘drager van de economie en het arbeidsmarktbeleid’. De tegenstelling tussen arbeid en kapitaal wordt vervangen door tegenstellingen tussen jong en oud, man en vrouw, flexwerker en werknemer. 
Ook anno 2026 geïnterviewd in het boek verdedigt ze haar opvattingen van toen, met kritiek op de vakbeweging ‘die zaten oude arbeiders te verdedigen, die inmiddels middenklassers waren geworden, met goudgerande pensioenrekeningen, terwijl de jongste generaties niets hadden’. 
 ‘Vrijheid Eerlijk Delen’ leidt tot vernietigende reacties vanuit de vakbeweging. Vijf prominente vakbondsleden, lid van GroenLinks, betitelen haar opvattingen in de Volkskrant als ‘wartaal’ en ‘modieus liberaal geneuzel’. Wat pesterig roept de jongerenbeweging van de VVD haar in 2006 uit als liberaal van het jaar. 
Ook binnen GroenLinks valt de nota slecht. De groep Kritisch GroenLinks, die in 2006 ontstaat, publiceert een manifest dat door honderden leden wordt ondertekend. Dat manifest bekritiseert niet alleen de liberale koers van Halsema. Ook het uithollen van de partijdemocratie moet het ontgelden. Alsmede het elitaire karakter, het gebrek aan contacten met buitenparlementaire beweging, de dominante positie van de Tweede Kamerfractie en het ontdoen van het partijbestuur van elke politieke betekenis. Op het eerstvolgend congres in februari 2007 wordt met 80% van de stemmen een motie van deze kritische vleugel aangenomen dat een vrij en principieel debat vraagt over de koers en de het imago van de partij. In Een portret van Groenlinks wordt met geen woord gerept over de kritiek die in -en buiten- de partij wordt geuit op de koers van Halsema. 

Van Ojik 

De motie leidt tot een rapport van de commissie Van Ojik, Scoren in de linkerbovenhoek, dat in grote lijnen de kritiek van het Kritisch GroenLinks-manifest onderbouwt. De vrijzinnig liberale koers van Halsema, in nog sterkere mate ondersteunt tijdens de korte periode dat haar opvolgster Jolande Sap aan het roer zit (2010-2012), leidt tot een serie nederlagen in verkiezingen vanaf 2003 tot 2012 (met als enige uitzondering 2010, de enige keer dat er sprake is van zetelwinst, van 7 naar 10). In 2012 worden slechts vier zetels gehaald, het absolute dieptepunt. Directe concurrenten PvdA en SP zijn in deze periode aanmerkelijk succesvoller. Ook dit type feitelijke gegevens -en verklaringen- ontbreken in de ‘persoonlijke verhalen uit de partij’. De ommekeer komt na 2012, als Bram van Ojik de al snel aftredende Sap opvolgt en een linkse, sociaaleconomische koers gaat varen. Een koers die met vallen en opstaan wordt gevolgd door Jesse Klaver die op 13 juni 2026 op het oprichtingscongres van Progressief Nederland de uitgestoken hand van FNV-voorzitter Spekman aanneemt en verklaart, onder luid applaus, dat FNV en PRO elkaar niet zullen loslaten in hun strijd voor een eerlijker Nederland. De laatste twee hoofdstukken verlaten het Binnenhof en hebben ‘verhalen uit de partij’ van elders: enkele wethouders en de Europese fractie komen aan het woord. Provinciale Statenfracties, Eerste Kamerfractie en afdelingen hebben blijkbaar volgens de samenstellers niets te melden. 



Storende fouten 

Storend is overigens dat er fouten in de tekst zitten die de meelezende stafleden van het Wetenschappelijk Bureau toch zeker hadden moeten opmerken. Enkele voorbeelden. De grote PSP-manifestatie die Joost Lagendijk zich herinnert, was niet een anti-NAVO demonstratie, maar een feest ter gelegenheid van het 20-jarig bestaan van de PSP op 16 april 1977 in de Merwedehal in Utrecht, waar de (Oost-)Duitse protestzanger Wolf Biermann optrad (blz. 14). Ook vergist Joost zich– en de schrijvers nemen dit over – dat het tijdschrift de Helling een samenvoeging is van de drie tijdschriften die de Wetenschappelijke Bureaus van PSP, PPR en CPN. Het was de Stichting Vorming en Scholing van de PSP (SVS/PSP) die Socialistisch Perspectief uitgaf, dat fuseerde met Komma van de CPN en Radikale Notities van de PPR. En Joost was lid van het bestuur van de SVS/PSP (blz. 20).
Helemaal bont wordt het op blz. 23 waar twee keer staat geschreven dat de PPR in de jaren 1980 vier Tweede Kamerzetels had. Dat waren er drie in 1981, twee in 1982 en twee in 1986. Op blz. 36 verhaalt Wim de Boer over die glorieuze dag (19 mei 1989, ‘een van de mooiste dagen van mijn leven’ onthult de Boer) dat de onderhandelingen over het programma om 5 uur ’s morgens zijn afgerond en er ’s avonds een bijeenkomst is van samenwerkingsfracties in de Beurs in de Amsterdam. Ik geef hem een envelop waar de samenwerkingsovereenkomst in zit (zetelverdeling e.d.) en niet het overeengekomen verkiezingsprogramma, noch blanco A4tjes. Een paar keer wordt geschreven dat Marijke Vos de eerste partijvoorzitter was (blz. 41, 43). Zij was de tweede, en ik de eerste. Al was ik uiteraard niet gekozen door een GroenLinks congres, want dat was er in 1989 nog niet. Het eerste GroenLinks bestuur, waar ik voorzitter van was, werd gevuld met twee partijbestuursleden van de fuserende partijen, alsmede van de Vereniging GroenLinks. Onbetrouwbare bron Een portret van Groenlinks is dus zeker geen betrouwbare geschiedschrijving van GroenLinks. Dat beoogt het ook niet te zijn – en daarmee is het ook geen betrouwbare bron. Het zou veel beter geweest zijn als er wél een serieus boek over de geschiedenis van GroenLinks was geschreven, gebruikmakend van de twee boeken die eerder door wetenschappers zijn geschreven: Verloren illusie, geslaagde fusie, Groenlinks in historisch en politicologisch perspectief (1999) en Van de straat naar de staat, GroenLinks 1990-2010 (2010). Maar wat niet is, kan nog komen.

vrijdag 29 mei 2026

De PSP-jaren van Karin Spaink (1982-1987)

Toen het bericht doorkwam dat Karin Spaink ervoor had gekozen het leven te verlaten was ik de Coast to Coast Walk in Engeland aan het lopen: van de Ierse Zee naar de Noordzee. Ik las de ‘in memoriams’ in Parool, NRC, de Volkskrant en de Groene Amsterdammer. Het viel me op dat, met alle terechte aandacht die geschonken werd aan haar vele activiteiten op het gebied van internet, privacy en de bestrijding van kwakzalvers, geen enkele zin werd besteed aan haar eerste baan in het publieke domein. Alleen de NRC wist, abusievelijk, te melden dat ze gewerkt had bij het wetenschappelijk bureau van de Pacifistisch Socialistische Partij (PSP).

Vanaf 1976 werkte ik met Ron Leijser bij de Stichting Vorming en Scholing (SVS) van de PSP. Het kabinet Den Uyl besloot rond 1975 een subsidieregeling in het leven te roepen om politieke partijen te ondersteunen met het klaarstomen van hun leden voor politieke activiteiten. De hoogte van de subsidie was afhankelijk van het aantal Tweede Kamerzetels. Dat waren er twee in 1975 (Bram van der Lek en Fred van der Spek), genoeg om twee deeltijders bij de SVS aan het werk te zetten. Wij verzorgden scholingsmateriaal over ontstaan, werkwijze en theoretische basis van de linkse beweging, discussiedagen over allerhande actuele politieke thema’s en cursussen voor afdelingsbestuurders en gemeenteraadsleden.

In 1977 behaalde de PSP slechts één kamerzetel, genoeg subsidie om de SVS in stand te houden, maar in 1981 kwamen naast Van der Spek, Andrée van Es en Wilbert Willems in de Tweede Kamer. De subsidie ging omhoog en dus verscheen in november 1981 in het partijblad Bevrijding een advertentie voor een part-time medewerk(st)er, bij voorkeur een vrouw ‘gezien de personeelssamenstelling’. Naast de hierboven vermelde taken werd als een aparte taak het geven van een aparte scholing aan PSP-vrouwengroepen genoemd. Het lidmaatschap van de PSP was een vereiste. Karin was al actief in de Landelijke Koördinatie Groep van PSP vrouwen, die in die periode bezig was met het voorbereiden van een discussie over pornografie.  Karin had al een discussiestuk over dit thema geschreven, ter voorbereiding van de discussiedag. Bovendien had ze het boek Pornografie, bekijkt ’t maar geredigeerd dat in 1982 bij Van Gennep verscheen.


Ze was niet de enige sollicitante (ik zat in de sollicitatiecommissie), maar haar open discussie houding, enthousiasme en verbale vaardigheden maakten dat ze per 1 januari 1982 aan de slag kon. Vanaf dat moment zaten we met zijn drieën in de ons toebedeelde werkruimte van het PSP-kantoor in de Nieuwe Looiersstraat in Amsterdam, niet ver van haar kleine etage boven een visboer op de hoek van de Nieuwe Spiegelstraat en de Kerkstraat.

Karin kwam op het juiste moment de PSP binnen. Discussies over het feministisch socialisme (FemSoc) en de ondervertegenwoordiging van vrouwen in (partij)politieke gremia vierden hoogtij in de eerste helft van de jaren 1980. En zij slingerde met groot plezier en kennis van zaken die discussies aan. Als snel maakte ze kennis met het fenomeen waar de PSP geliefd, dan wel berucht om was: een welhaast onverzadigde drang tot discussie, waar het partijblad Bevrijding, zoals het hoort, zijn kolommen graag voor openstelde. 

De hiervoor genoemde PSP-discussiedag over pornografie vond op 27 februari 1982 plaats. In de voorafgaande Bevrijding stond een deel van haar discussiebijdrage afgedrukt, dat op SadoMasochisme ingaat. Ze beschrijft de pro-standpunten van de Vereniging Studiegroep SadoMasochisme (VSSM) om vervolgens een aantal kritische noten te kraken, zoals het in standhouden van machtsverhoudingen, het gewelddadige karakter, en de gepropageerde ‘bevrijding’ die in die tijd met SM (maar ook door bewegingen als de Bhagwan) opgeld deed. In een volgend nummer van Bevrijding stonden tamelijk woedende reacties op haar kritische kanttekeningen. Ze wordt als een ‘buitenstaander’ weggezet, ‘we worden door haar op een negatieve manier vernederd’ en ook de homogroep vindt dat Karin te negatief oordeelt over deze seksuele variant. In een naschrift wijst Karin er opdat ze als niet-lid van de VSSM toch best over SM mag schrijven, of ‘moet ik op de VVD stemmen om het kapitalisme te mogen bekritiseren?’ Ze stelt dat haar stelling dat de VSSM ‘klakkeloos en onbeargumenteerd ervan uitgaat dat agressie en seksualiteit onlosmakelijk verboden zijn’ niet weersproken wordt in de reacties’. Als uitsmijter stelt ze op de discussiedag voorgesteld hebben in een aparte groep verder over dit onderwerp door te discussiëren, waar niemand op heeft gereageerd.

Ik sta hier wat uitgebreid bij stil omdat dit gebeuren aantoont hoe open en onbevreesd dit onderwerp werd aangekaart en hoe Karin met deze vuurdoop omging, altijd bereid tot discussie. (En hoe belangrijk een partijblad is om discussies te stimuleren, iets wat GroenLinks al jaren node mist en ook Pro Nederland niet van plan schijnt te gaan uitgeven.)

Overigens hield Karin zich ook met andere zaken bezig. In het juni-nummer van Bevrijding doet ze verslag van een bijeenkomst waarin gestaalde kaders van de CPN (Jaap Wolff en Harry Verhey) in debat gaan met Henk Gortzak. Gortzak (PSP-Tweede Kamerlid tussen 1969 en 1971) was in 1958 geroyeerd als CPN-lid over gebeurtenissen in de jaren 1950, waar hij en Wolff/Verhey in 1982 nog steeds hevig over van mening verschillen. ‘Ze hebben geen politiek konflikt, maar zijn een politiek konflikt. Ze zijn bijna symbolen van hun eigen opvattingen en zien alles in dat licht’. Even verder schijft ze die houding (wij tegen de rest van de wereld en wie niet voor ons is, is tegen ons) ook ‘gelukkig op kleinere schaal’ terug te zien in sommige delen van de vrouwenbeweging.

Maar Spaink richtte zich vooral op de positie van vrouwen in de PSP. Ze voerde de redactie over een themamap Taakverlichting van politieke functies, organiseerde SVS-discussiedagen hierover en ondersteunde de Landelijke Koördinatiegroep van PSP-vrouwen. Ze hield inleidingen in afdelingen, zoals in Geleen over ‘Vrouwenstrijd-homostrijd-socialisme’.

De toenemende activiteiten en druk van PSP-vrouwen leidde ertoe dat het, geheel uit mannen bestaande, partijbestuur besloot om in februari 1983 een congres te wijden aan Feminisme en Socialisme. Karin komt in de speciale ‘kongreskommissie’ (vijf vrouwen, vijf mannen) die dit congres voorbereidt. De commissie schrijft een congresvoorstel met een analyse, beleidsvoorstellen en hoe de interne feminisering van de PSP vorm te geven. Het partijbestuur vindt deze voorstellen te ver gaan en komt met een eigen stuk. Het congres, waar beduidend meer vrouwen aan deelnemen dan voorheen, besluit op praktisch alle punten de radicalere voorstellen van de congrescommissie te volgen. Het gaat te ver om hier met allerlei teksten te komen, maar de paarse tornado die Bevrijding ontwaarde op het congres was geen fata morgana. Overigens was Karin niet de enige aanjager hiervan, met name Gerda Bosdriesz en Pieternel Rol, moeten genoemd worden als zeer actieve PSP-vrouwen in die periode.

   Karin toont op het Feminisme en Socialisme congres het affiche waar ze de tekst van heeft bedacht:
Omdat ieder mens er een is, en niet de helft van een stel

De PSP was verslaafd aan congressen. In juni 1983 wordt alweer gecongresseerd. Deze keer onder de noemer van een Strategiecongres: hoe denkt de PSP een socialistische maatschappij te bereiken? Het partijbestuur komt met een tekst, maar ai, de resultaten van het halfjaar er voor gehouden FemSoc congres zijn er nauwelijks in verwerkt. Een behoorlijke blunder, die Karin in een lang artikel in Bevrijding  het partijbestuur inwrijft. Het patriarchale karakter van de staat blijft onbenoemd, het onderscheid tussen privé en openbaar wordt genegeerd en feministische eisen om het dominante heteroseksuele systeem te doorbreken, komen niet aan de orde. Typisch Karin is dat ze het artikel afsluit met kritiek op die eindeloze vergaderingen, stapels pamfletten, nota’s en brochures, zo onaantrekkelijk voor buitenstaanders. ‘Vrolijke dingen doen en iets van spanning, speelsheid of enthousiasme door de ernst mengen kan heel verfrissend zijn’.

Dat strategiecongres wordt een van de meest frustrerende congressen in de geschiedenis van de PSP. Er staan uiteindelijk twee visies ter discussie, waarvan het bepalende onderscheid is of de PSP actief moet deelnemen aan een proces van samenwerking met CPN en PPR. Het congres wijst de visie van het partijbestuur (wél pogen tot samenwerking te komen) af, waarna het partijbestuur, onder voorzitterschap van Bram van der Lek, besluit er de brui aan te geven. De daaropvolgende partijraad kiest in juli een interim-bestuur, waar zowel Karin als ik deel van uit maken.

Echter, niet voor lang. In november 1983 is er wéér een congres, waar besloten wordt dat mensen die in dienst zijn van de partij, zoals Karin en ik die bij de SVS werken, geen lid kunnen zijn van het partijbestuur. Ik kan wel begrip hebben voor dat besluit, al ging het natuurlijk maar om een tijdelijk, interim-bestuur. Karin niet en ziet het ook als een poging om haar te cancelen ‘omdat ik te veel naar de voorgrond was gekomen.’

En dus worden de SVS-activiteiten weer het middelpunt van Karins activiteiten. Ze ontwikkelt de scholingsbrochure ‘Dames & Heren’ waarin vele aspecten van het feminisme aan de orde komen: stromingen, bondgenootschappen, strategie en beleid. Het is de basis voor tien scholingsbijeenkomsten, die in veel afdelingen zal worden gehouden.

Discussiebijeenkomsten over uiteenlopende feministische onderwerpen werden door Karin georganiseerd, veelal begeleid door een discussiemap, zoals hoe de afdeling gefeminiseerd kan worden en een lesbrief hoe de resultaten van het congres over Feminisme en socialisme door leden bediscussieerd kunnen worden. De aangenomen teksten van dat congres zijn gebundeld in een apart brochure.

In 1985 maakt Spaink deel uit van de commissie die het verkiezingsprogramma gaat schrijven voor de Kamerverkiezingen van 1986.

Het congres dat het verkiezingsprogramma en de kandidatenlijst vaststelt in Wijk aan Zee in december 1985, kent een dramatisch verloop. Het verkiezingsprogramma wordt binnen de PSP beschouwd als het meest linkse programma dat ooit is vastgesteld, maar als het congres met een nipte meerderheid niet Fred van de Spek, maar Andrée van Es als lijsttrekker kiest, neemt Van der Spek met een handvol getrouwen de benen.

De PSP haalt één zetel in 1986, en de subsidie loopt weer terug. Maar dat is niet de reden, dat ze in 1987 vertrekt bij de PSP.  Viif jaar lang heeft ze met volle inzet de feminisering van de PSP een zet gegeven. De hoogtijdagen van de FemSoc discussies zijn voorbij. De PSP komt in een overlevingsstand en zal uiteindelijk in 1989 toch met CPN en PPR fuseren.

De automatisering die al vroeg bij de PSP zijn intrede heeft gedaan, wekt haar belangstelling en ze slaat een verrassend nieuw pad in: programmeur bij vliegtuigbouwer Fokker.

zondag 22 maart 2026

GL-PvdA stapt in de valkuil van fakenews

Gaat de partijtop van GL-PvdA het paard dat fakenews heet, berijden? Het lijkt er wel op als je de reacties van Klaver c.s. op de gemeenteraadsverkiezingen leest. Een dag na de verkiezingen schrijft hij in een e-mail aan de partijleden: ‘We hebben de weg omhoog gevonden. We zijn bij de verkiezingen gisteren de grootste partij van het land geworden en flink gegroeid ten opzichte van de afgelopen Tweede Kamerverkiezingen een half jaar geleden (…) Tegelijkertijd zijn we gisteren in maar liefst 42 gemeenten de grootste partij geworden.’

Over deze grootspraak is al veel geschreven. Van kritisch tot honend. En terecht. Gemeenteraadsverkiezingen met Tweede Kamerverkiezingen vergelijken is in het huidige tijdsgewricht onzinnig. Er zijn veel kleine landelijke partijen die lang niet in alle gemeenten deelnemen, er is een veel lagere opkomst én er is de sterke groei van lokale partijen, die overigens fors van elkaar verschillen.

Het is dom dat Klaver c.s. dit frame hebben gekozen. Dom, omdat hij zo alle aandacht trekt van analisten en critici, terwijl de overige partijleiders van de landelijke, grote partijen eveneens valse victorie kraaiden, zij het wat minder uitbundig. Ze konden in de publiciteit die er na kwam allemaal schuilen achter de opgeblazen rug van Klaver.

De vastberaden wil om ten koste van alles de juistheid van de voorgenomen fusie te staven, schaadt de fusiepartij juist. Evenals de nauwelijks verholen ambitie van Klaver zelf om bij de volgende Kamerverkiezingen Jetten te kunnen opvolgen.

Tekenend is dat in de e-mail die beide partijvoorzitters een dag later verzonden iets minder hoog van de toren wordt geblazen. Daarin wordt volstaan met de mededeling dat ‘we in veel gemeenten de grootste’ werden. Geen vergelijking met Tweede Kamerverkiezingen of geronk als ‘grootste partij van het land’.

Als je de uitslagen van de laatst vijf gemeenteraadsverkiezingen bekijkt is er, net als landelijk, sprake van een zeer zorgelijke, neerwaartse tendens.

Resultaat GL-PvdA gemeenteraadsverkiezingen

jaar

percentage

aantal zetels

2010

22,5

1687

2014

15,6

1153

2018

16,4

1076

2022

16,8

1197

2026

14,6

1059

 

Maar, zo wordt door de partijtop verteld, we zijn in veel (veelal grotere) gemeenten de grootste. Dat klopt – en is inderdaad mooi. Minder mooi is dat GL-PvdA in die 44 gemeenten toch bij elkaar 35 zetels heeft verloren.

Hoewel iedere gemeente ongetwijfeld haar eigen verhaal heeft, zou het lonen als de partijtop met een goede selectie van afdelingen (verliezers en winnaars) eens probeert te analyseren of er conclusies zijn te trekken.

Enkele zaken vallen wel op. In Amsterdam won GroenLinks, dat nog zelfstandig deelnam, twee zetels met een onvervalst ‘schaamteloos’ linkse inzet, zoals lijsttrekker Zita Pels vrolijk verkondigde. De PvdA verloor er twee. Ook in het onvervalst linkse Nijmegen werden 2 zetels winst geboekt en in Utrecht 1. Steden waar GroenLinks al jaren veel groter is dan de PvdA.

In steden en regio’s waar de PvdA traditioneel groter is, verloor de combinatie fors, met Leeuwarden (-6) en Heerenveen (-5) als uitschieters.

De fusie is onomkeerbaar. De leden hebben per referendum, zonder diepgaand onderzoek en discussie, daartoe besloten. Of het de electorale neergang kan keren is zeer de vraag. Wat daar in ieder geval voor nodig is, is een ‘schaamteloos’ linkse politiek, die het pure parlementaire werk overstijgt en buiten campagnetijd mensen informeert, ondersteunt en waar nodig organiseert om samen te werken aan een leefbare, veilige omgeving, het bereikbaar maken van betaalbare huisvesting, gezondheidszorg en openbaar vervoer. 

Er moet hard gewerkt worden om het frame van elite te plakken op hen die het verdienen: de CEO’s, de grootaandeelhouders, de bankiers, de grootgrutters, de agro-business en rechtse politici. Tenslotte verdient het ongelooflijk irriterende gezeik aan al die TV-kletstafels over het verzet tegen AZC’s, en in hun kielzog FVD en de lokale partijen die daar garen bij spinnen, met een feitelijk, hard uitgesproken en vaak herhalend weerwoord te worden tegengesproken. In talloze gemeenten bestaan AZC’s al jaren zonder commotie. In gemeenten die ze krijgen, of nog niet hebben, worden mensen door een legertje van buitengemeentelijke fascisten opgestookt door angst en haat te zaaien. De mensen die daar in trappen vormen altijd een forse minderheid. De stille meerderheid die daarvan gruwt zou veel meer gesteund moeten worden. Laat die feiten spreken.

Dat betekent dat die fusiepartij een onvervalst linkse koers moet varen. De naam van de fusiepartij die donderdag a.s. bekend wordt gemaakt, zou volgens Het Parool wel eens Progressief Nederland kunnen zijn. Dat zou de volgende, finale, verkeerde stap zijn in het fusieproces. Een buiging naar het midden, een knieval voor D66, een etiket dat te veel naar een culturele en economische elite smaakt.