Zoeken in deze blog

vrijdag 29 mei 2026

De PSP-jaren van Karin Spaink (1982-1987)

Toen het bericht doorkwam dat Karin Spaink ervoor had gekozen het leven te verlaten was ik de Coast to Coast Walk in Engeland aan het lopen: van de Ierse Zee naar de Noordzee. Ik las de ‘in memoriams’ in Parool, NRC, de Volkskrant en de Groene Amsterdammer. Het viel me op dat, met alle terechte aandacht die geschonken werd aan haar vele activiteiten op het gebied van internet, privacy en de bestrijding van kwakzalvers, geen enkele zin werd besteed aan haar eerste baan in het publieke domein. Alleen de NRC wist, abusievelijk, te melden dat ze gewerkt had bij het wetenschappelijk bureau van de Pacifistisch Socialistische Partij (PSP).

Vanaf 1976 werkte ik met Ron Leijser bij de Stichting Vorming en Scholing (SVS) van de PSP. Het kabinet Den Uyl besloot rond 1975 een subsidieregeling in het leven te roepen om politieke partijen te ondersteunen met het klaarstomen van hun leden voor politieke activiteiten. De hoogte van de subsidie was afhankelijk van het aantal Tweede Kamerzetels. Dat waren er twee in 1975 (Bram van der Lek en Fred van der Spek), genoeg om twee deeltijders bij de SVS aan het werk te zetten. Wij verzorgden scholingsmateriaal over ontstaan, werkwijze en theoretische basis van de linkse beweging, discussiedagen over allerhande actuele politieke thema’s en cursussen voor afdelingsbestuurders en gemeenteraadsleden.

In 1977 behaalde de PSP slechts één kamerzetel, genoeg subsidie om de SVS in stand te houden, maar in 1981 kwamen naast Van der Spek, Andrée van Es en Wilbert Willems in de Tweede Kamer. De subsidie ging omhoog en dus verscheen in november 1981 in het partijblad Bevrijding een advertentie voor een part-time medewerk(st)er, bij voorkeur een vrouw ‘gezien de personeelssamenstelling’. Naast de hierboven vermelde taken werd als een aparte taak het geven van een aparte scholing aan PSP-vrouwengroepen genoemd. Het lidmaatschap van de PSP was een vereiste. Karin was al actief in de Landelijke Koördinatie Groep van PSP vrouwen, die in die periode bezig was met het voorbereiden van een discussie over pornografie.  Karin had al een discussiestuk over dit thema geschreven, ter voorbereiding van de discussiedag. Bovendien had ze het boek Pornografie, bekijkt ’t maar geredigeerd dat in 1982 bij Van Gennep verscheen.


Ze was niet de enige sollicitante (ik zat in de sollicitatiecommissie), maar haar open discussie houding, enthousiasme en verbale vaardigheden maakten dat ze per 1 januari 1982 aan de slag kon. Vanaf dat moment zaten we met zijn drieën in de ons toebedeelde werkruimte van het PSP-kantoor in de Nieuwe Looiersstraat in Amsterdam, niet ver van haar kleine etage boven een visboer op de hoek van de Nieuwe Spiegelstraat en de Kerkstraat.

Karin kwam op het juiste moment de PSP binnen. Discussies over het feministisch socialisme (FemSoc) en de ondervertegenwoordiging van vrouwen in (partij)politieke gremia vierden hoogtij in de eerste helft van de jaren 1980. En zij slingerde met groot plezier en kennis van zaken die discussies aan. Als snel maakte ze kennis met het fenomeen waar de PSP geliefd, dan wel berucht om was: een welhaast onverzadigde drang tot discussie, waar het partijblad Bevrijding, zoals het hoort, zijn kolommen graag voor openstelde. 

De hiervoor genoemde PSP-discussiedag over pornografie vond op 27 februari 1982 plaats. In de voorafgaande Bevrijding stond een deel van haar discussiebijdrage afgedrukt, dat op SadoMasochisme ingaat. Ze beschrijft de pro-standpunten van de Vereniging Studiegroep SadoMasochisme (VSSM) om vervolgens een aantal kritische noten te kraken, zoals het in standhouden van machtsverhoudingen, het gewelddadige karakter, en de gepropageerde ‘bevrijding’ die in die tijd met SM (maar ook door bewegingen als de Bhagwan) opgeld deed. In een volgend nummer van Bevrijding stonden tamelijk woedende reacties op haar kritische kanttekeningen. Ze wordt als een ‘buitenstaander’ weggezet, ‘we worden door haar op een negatieve manier vernederd’ en ook de homogroep vindt dat Karin te negatief oordeelt over deze seksuele variant. In een naschrift wijst Karin er opdat ze als niet-lid van de VSSM toch best over SM mag schrijven, of ‘moet ik op de VVD stemmen om het kapitalisme te mogen bekritiseren?’ Ze stelt dat haar stelling dat de VSSM ‘klakkeloos en onbeargumenteerd ervan uitgaat dat agressie en seksualiteit onlosmakelijk verboden zijn’ niet weersproken wordt in de reacties’. Als uitsmijter stelt ze op de discussiedag voorgesteld hebben in een aparte groep verder over dit onderwerp door te discussiëren, waar niemand op heeft gereageerd.

Ik sta hier wat uitgebreid bij stil omdat dit gebeuren aantoont hoe open en onbevreesd dit onderwerp werd aangekaart en hoe Karin met deze vuurdoop omging, altijd bereid tot discussie. (En hoe belangrijk een partijblad is om discussies te stimuleren, iets wat GroenLinks al jaren node mist en ook Pro Nederland niet van plan schijnt te gaan uitgeven.)

Overigens hield Karin zich ook met andere zaken bezig. In het juni-nummer van Bevrijding doet ze verslag van een bijeenkomst waarin gestaalde kaders van de CPN (Jaap Wolff en Harry Verhey) in debat gaan met Henk Gortzak. Gortzak (PSP-Tweede Kamerlid tussen 1969 en 1971) was in 1958 geroyeerd als CPN-lid over gebeurtenissen in de jaren 1950, waar hij en Wolff/Verhey in 1982 nog steeds hevig over van mening verschillen. ‘Ze hebben geen politiek konflikt, maar zijn een politiek konflikt. Ze zijn bijna symbolen van hun eigen opvattingen en zien alles in dat licht’. Even verder schijft ze die houding (wij tegen de rest van de wereld en wie niet voor ons is, is tegen ons) ook ‘gelukkig op kleinere schaal’ terug te zien in sommige delen van de vrouwenbeweging.

Maar Spaink richtte zich vooral op de positie van vrouwen in de PSP. Ze voerde de redactie over een themamap Taakverlichting van politieke functies, organiseerde SVS-discussiedagen hierover en ondersteunde de Landelijke Koördinatiegroep van PSP-vrouwen. Ze hield inleidingen in afdelingen, zoals in Geleen over ‘Vrouwenstrijd-homostrijd-socialisme’.

De toenemende activiteiten en druk van PSP-vrouwen leidde ertoe dat het, geheel uit mannen bestaande, partijbestuur besloot om in februari 1983 een congres te wijden aan Feminisme en Socialisme. Karin komt in de speciale ‘kongreskommissie’ (vijf vrouwen, vijf mannen) die dit congres voorbereidt. De commissie schrijft een congresvoorstel met een analyse, beleidsvoorstellen en hoe de interne feminisering van de PSP vorm te geven. Het partijbestuur vindt deze voorstellen te ver gaan en komt met een eigen stuk. Het congres, waar beduidend meer vrouwen aan deelnemen dan voorheen, besluit op praktisch alle punten de radicalere voorstellen van de congrescommissie te volgen. Het gaat te ver om hier met allerlei teksten te komen, maar de paarse tornado die Bevrijding ontwaarde op het congres was geen fata morgana. Overigens was Karin niet de enige aanjager hiervan, met name Gerda Bosdriesz en Pieternel Rol, moeten genoemd worden als zeer actieve PSP-vrouwen in die periode.

   Karin toont op het Feminisme en Socialisme congres het affiche waar ze de tekst van heeft bedacht:
Omdat ieder mens er een is, en niet de helft van een stel

De PSP was verslaafd aan congressen. In juni 1983 wordt alweer gecongresseerd. Deze keer onder de noemer van een Strategiecongres: hoe denkt de PSP een socialistische maatschappij te bereiken? Het partijbestuur komt met een tekst, maar ai, de resultaten van het halfjaar er voor gehouden FemSoc congres zijn er nauwelijks in verwerkt. Een behoorlijke blunder, die Karin in een lang artikel in Bevrijding  het partijbestuur inwrijft. Het patriarchale karakter van de staat blijft onbenoemd, het onderscheid tussen privé en openbaar wordt genegeerd en feministische eisen om het dominante heteroseksuele systeem te doorbreken, komen niet aan de orde. Typisch Karin is dat ze het artikel afsluit met kritiek op die eindeloze vergaderingen, stapels pamfletten, nota’s en brochures, zo onaantrekkelijk voor buitenstaanders. ‘Vrolijke dingen doen en iets van spanning, speelsheid of enthousiasme door de ernst mengen kan heel verfrissend zijn’.

Dat strategiecongres wordt een van de meest frustrerende congressen in de geschiedenis van de PSP. Er staan uiteindelijk twee visies ter discussie, waarvan het bepalende onderscheid is of de PSP actief moet deelnemen aan een proces van samenwerking met CPN en PPR. Het congres wijst de visie van het partijbestuur (wél pogen tot samenwerking te komen) af, waarna het partijbestuur, onder voorzitterschap van Bram van der Lek, besluit er de brui aan te geven. De daaropvolgende partijraad kiest in juli een interim-bestuur, waar zowel Karin als ik deel van uit maken.

Echter, niet voor lang. In november 1983 is er wéér een congres, waar besloten wordt dat mensen die in dienst zijn van de partij, zoals Karin en ik die bij de SVS werken, geen lid kunnen zijn van het partijbestuur. Ik kan wel begrip hebben voor dat besluit, al ging het natuurlijk maar om een tijdelijk, interim-bestuur. Karin niet en ziet het ook als een poging om haar te cancelen ‘omdat ik te veel naar de voorgrond was gekomen.’

En dus worden de SVS-activiteiten weer het middelpunt van Karins activiteiten. Ze ontwikkelt de scholingsbrochure ‘Dames & Heren’ waarin vele aspecten van het feminisme aan de orde komen: stromingen, bondgenootschappen, strategie en beleid. Het is de basis voor tien scholingsbijeenkomsten, die in veel afdelingen zal worden gehouden.

Discussiebijeenkomsten over uiteenlopende feministische onderwerpen werden door Karin georganiseerd, veelal begeleid door een discussiemap, zoals hoe de afdeling gefeminiseerd kan worden en een lesbrief hoe de resultaten van het congres over Feminisme en socialisme door leden bediscussieerd kunnen worden. De aangenomen teksten van dat congres zijn gebundeld in een apart brochure.

In 1985 maakt Spaink deel uit van de commissie die het verkiezingsprogramma gaat schrijven voor de Kamerverkiezingen van 1986.

Het congres dat het verkiezingsprogramma en de kandidatenlijst vaststelt in Wijk aan Zee in december 1985, kent een dramatisch verloop. Het verkiezingsprogramma wordt binnen de PSP beschouwd als het meest linkse programma dat ooit is vastgesteld, maar als het congres met een nipte meerderheid niet Fred van de Spek, maar Andrée van Es als lijsttrekker kiest, neemt Van der Spek met een handvol getrouwen de benen.

De PSP haalt één zetel in 1986, en de subsidie loopt weer terug. Maar dat is niet de reden, dat ze in 1987 vertrekt bij de PSP.  Viif jaar lang heeft ze met volle inzet de feminisering van de PSP een zet gegeven. De hoogtijdagen van de FemSoc discussies zijn voorbij. De PSP komt in een overlevingsstand en zal uiteindelijk in 1989 toch met CPN en PPR fuseren.

De automatisering die al vroeg bij de PSP zijn intrede heeft gedaan, wekt haar belangstelling en ze slaat een verrassend nieuw pad in: programmeur bij vliegtuigbouwer Fokker.

zondag 22 maart 2026

GL-PvdA stapt in de valkuil van fakenews

Gaat de partijtop van GL-PvdA het paard dat fakenews heet, berijden? Het lijkt er wel op als je de reacties van Klaver c.s. op de gemeenteraadsverkiezingen leest. Een dag na de verkiezingen schrijft hij in een e-mail aan de partijleden: ‘We hebben de weg omhoog gevonden. We zijn bij de verkiezingen gisteren de grootste partij van het land geworden en flink gegroeid ten opzichte van de afgelopen Tweede Kamerverkiezingen een half jaar geleden (…) Tegelijkertijd zijn we gisteren in maar liefst 42 gemeenten de grootste partij geworden.’

Over deze grootspraak is al veel geschreven. Van kritisch tot honend. En terecht. Gemeenteraadsverkiezingen met Tweede Kamerverkiezingen vergelijken is in het huidige tijdsgewricht onzinnig. Er zijn veel kleine landelijke partijen die lang niet in alle gemeenten deelnemen, er is een veel lagere opkomst én er is de sterke groei van lokale partijen, die overigens fors van elkaar verschillen.

Het is dom dat Klaver c.s. dit frame hebben gekozen. Dom, omdat hij zo alle aandacht trekt van analisten en critici, terwijl de overige partijleiders van de landelijke, grote partijen eveneens valse victorie kraaiden, zij het wat minder uitbundig. Ze konden in de publiciteit die er na kwam allemaal schuilen achter de opgeblazen rug van Klaver.

De vastberaden wil om ten koste van alles de juistheid van de voorgenomen fusie te staven, schaadt de fusiepartij juist. Evenals de nauwelijks verholen ambitie van Klaver zelf om bij de volgende Kamerverkiezingen Jetten te kunnen opvolgen.

Tekenend is dat in de e-mail die beide partijvoorzitters een dag later verzonden iets minder hoog van de toren wordt geblazen. Daarin wordt volstaan met de mededeling dat ‘we in veel gemeenten de grootste’ werden. Geen vergelijking met Tweede Kamerverkiezingen of geronk als ‘grootste partij van het land’.

Als je de uitslagen van de laatst vijf gemeenteraadsverkiezingen bekijkt is er, net als landelijk, sprake van een zeer zorgelijke, neerwaartse tendens.

Resultaat GL-PvdA gemeenteraadsverkiezingen

jaar

percentage

aantal zetels

2010

22,5

1687

2014

15,6

1153

2018

16,4

1076

2022

16,8

1197

2026

14,6

1059

 

Maar, zo wordt door de partijtop verteld, we zijn in veel (veelal grotere) gemeenten de grootste. Dat klopt – en is inderdaad mooi. Minder mooi is dat GL-PvdA in die 44 gemeenten toch bij elkaar 35 zetels heeft verloren.

Hoewel iedere gemeente ongetwijfeld haar eigen verhaal heeft, zou het lonen als de partijtop met een goede selectie van afdelingen (verliezers en winnaars) eens probeert te analyseren of er conclusies zijn te trekken.

Enkele zaken vallen wel op. In Amsterdam won GroenLinks, dat nog zelfstandig deelnam, twee zetels met een onvervalst ‘schaamteloos’ linkse inzet, zoals lijsttrekker Zita Pels vrolijk verkondigde. De PvdA verloor er twee. Ook in het onvervalst linkse Nijmegen werden 2 zetels winst geboekt en in Utrecht 1. Steden waar GroenLinks al jaren veel groter is dan de PvdA.

In steden en regio’s waar de PvdA traditioneel groter is, verloor de combinatie fors, met Leeuwarden (-6) en Heerenveen (-5) als uitschieters.

De fusie is onomkeerbaar. De leden hebben per referendum, zonder diepgaand onderzoek en discussie, daartoe besloten. Of het de electorale neergang kan keren is zeer de vraag. Wat daar in ieder geval voor nodig is, is een ‘schaamteloos’ linkse politiek, die het pure parlementaire werk overstijgt en buiten campagnetijd mensen informeert, ondersteunt en waar nodig organiseert om samen te werken aan een leefbare, veilige omgeving, het bereikbaar maken van betaalbare huisvesting, gezondheidszorg en openbaar vervoer. 

Er moet hard gewerkt worden om het frame van elite te plakken op hen die het verdienen: de CEO’s, de grootaandeelhouders, de bankiers, de grootgrutters, de agro-business en rechtse politici. Tenslotte verdient het ongelooflijk irriterende gezeik aan al die TV-kletstafels over het verzet tegen AZC’s, en in hun kielzog FVD en de lokale partijen die daar garen bij spinnen, met een feitelijk, hard uitgesproken en vaak herhalend weerwoord te worden tegengesproken. In talloze gemeenten bestaan AZC’s al jaren zonder commotie. In gemeenten die ze krijgen, of nog niet hebben, worden mensen door een legertje van buitengemeentelijke fascisten opgestookt door angst en haat te zaaien. De mensen die daar in trappen vormen altijd een forse minderheid. De stille meerderheid die daarvan gruwt zou veel meer gesteund moeten worden. Laat die feiten spreken.

Dat betekent dat die fusiepartij een onvervalst linkse koers moet varen. De naam van de fusiepartij die donderdag a.s. bekend wordt gemaakt, zou volgens Het Parool wel eens Progressief Nederland kunnen zijn. Dat zou de volgende, finale, verkeerde stap zijn in het fusieproces. Een buiging naar het midden, een knieval voor D66, een etiket dat te veel naar een culturele en economische elite smaakt.

maandag 22 december 2025

GL-PvdA: op naar een democratische ledenpartij!

De vér doorgeschoten individualisering, een (bij?)product van het neoliberalisme, is ook GroenLinks-PvdA een doorn in het oog. Althans, als je het concept-beginselprogramma raadpleegt. ‘Collectieve problemen werden steeds minder collectief opgelost. Het individu kwam op de voorgrond te staan.’  En ‘technologie bracht veel mogelijkheden voor zelfexpressie en het leggen van nieuwe verbindingen, maar het versterkte ook nog meer de nadruk op het individu.’ Het verkiezingsprogramma staat bol van maatregelen die de collectieve aanpak van problemen centraal stelt in plaats van individuele. Democratie-van-onderop, vormgegeven door collectieven, is een ander belangrijk punt voor de fusiepartij.

Echter, als het om de organisatie van de fusiepartij GL-PvdA gaat, voert individualisering de boventoon en is elke collectieve benadering uitgesloten. Althans, als je de concept-statuten en het concept-reglement bekijkt die onlangs zijn gepubliceerd, en waar leden tot 4 januari op kunnen reageren.


Zo speelt de lokale afdeling als plek waar leden bij elkaar komen om elkaar te ontmoeten en te discussiëren geen enkele rol waar het gaat om landelijk belangrijke zaken, zoals het verkiezingsprogramma, het beginselprogram of belangrijke beslissingen die kamerfracties, eurofractie of partijbestuur moeten nemen. De informatievoorziening is top-down gehuld in PR-jargon. Een discussieplatform of ledenblad wordt niet voorgesteld. Er worden wel netwerken op politieke thema’s ingesteld, maar die hebben geen enkele status.

Laagdrempelig disussiëren

Met John Hontelez heb ik gebrainstormd over veranderingen die in het inspraakproces kunnen worden voorgesteld om de fusiepartij een democratische ledenpartij te laten zijn. De essentie van onze voorstellen is te promoten dat leden weer gestimuleerd worden om met name op afdelingsniveau laagdrempelig te discussiëren over de koers en het optreden van de partij. Nu gaat in feite bijna alles via de computer, individueel. En die discussies zouden dan ook relevant moeten zijn voor hoe de partij wordt (bij)gestuurd. Daarmee motiveer je leden om naar afdelingsvergaderingen te gaan, ook al zijn ze wat minder geïnteresseerd in de details van lokale politiek, maar meer in de grote vragen.

Elk lid kan via de website tot en met 4 januari 2026 wijzigingsvoorstellen doen of commentaar leveren op de concept-statuten en het concept-reglement. Hieronder wat suggesties.

Ledenparlement

Voorgesteld wordt om een geloot ledenberaad (art. 22 Statuten, art. 19 reglementen ) in te stellen dat door het partijbestuur ten minste eens per jaar wordt ingezet. Deze top-down benadering is natuurlijk heel iets anders dan een ledenparlement of een partijraad die de PvdA en GroenLinks in het verleden hadden.

Zo’n ledenparlement bewaakt tussen de congressen door in essentie of de besluiten van de congressen worden uitgevoerd en geeft het partijbestuur en de landelijke en Euro-fracties advies over actuele kwesties. Belangrijk daarbij is dat de leden van zo’n ledenparlement een achterban hebben. Bijvoorbeeld één vertegenwoordiger per afdeling, maar dat zouden er dan wel zo’n tweehonderd zijn, en dat is weer erg groot. Maar is dat onmogelijk? Als het vier keer per jaar bij elkaar komt? Andere ideeën zijn ook welkom. Zoals bijv. vijf leden per provincie.

Netwerken

Er worden netwerken voorgesteld in de nieuwe statuten (art. 33). “Netwerken zijn samenwerkingsverbanden die actief zijn rond een politiek thema, een onderwerp waarin zij deskundig zijn en/of op basis van aspecten van hun identiteit, zoals gedeelde achtergrond, ervaring of positie in de samenleving.” Het partijbestuur beslist welke netwerken er zijn en hoe ze (mogen) werken. John Hontelez is lid van het milieunetwerk, en vindt dat een onbevredigende situatie. Het is beter de netwerken om te vormen naar commissies, met een structuur, een budget en ook een adviserende rol naar het congres en de landelijke en eurofracties, en het recht om amendementen in te dienen op het landelijke verkiezingsprogramma. Commissies kunnen voorafgegaan worden door initiatiefgroepen. Als ze eenmaal door het congres (i.p.v. het partijbestuur) zijn erkend, hebben ze een mandaat en middelen.


Direct contact tussen leden faciliteren

Vier jaar geleden hebben Joost Lagendijk, Gied ten Berge en wij (John en Leo) een discussie op gang gebracht over het standpunt van de TK-fractie over vaccineren in coronatijd. We moesten 150 handtekeningen hebben om een partijdiscussie aan te vragen. Dat was niet simpel, want hoe bereik je leden? Daarom dit voorstel: elk lid wordt gevraagd of zijn/haar email adres opgenomen mag worden in een platform waar leden initiatieven kunnen voorstellen. Leden kunnen dan reageren en met die leden wordt dan een discussiegroep gevormd. Het platform zelf mag niet voor die discussie gebruikt worden (om ondersneeuwen met e-mails te voorkomen) maar er mag nog wel een keer een resultaat gepresenteerd worden. Elk lid kan op elk moment beslissen om zich uit te schrijven of (weer) in te schrijven in dat platform. Het platform wordt beperkt gemodereerd om misbruik te voorkomen. Wat misbruik is moet natuurlijk nader gedefinieerd worden.

Referendum

Art. 15 van de statuten stelt leden in de gelegenheid om een referendum aan te vragen, maar 10% van het ledenbestand moet dat steunen. Dat zijn dus in het huidige geval van ca. 100.000 leden (dubbel leden niet meegeteld) 10.000 leden!  Dat is een hele hoge drempel en zal in de praktijk alleen maar tot stand komen als de partij zo’n beetje op ontploffen staat. Die drempel moet dus omlaag, bijv. naar 1%.  Als er een goed functionerend ledenparlement komt is deze vorm van corrigeren wellicht niet meer zo belangrijk. Als zo’n ledenparlement er NIET komt, zou er toch ook een mogelijkheid moeten zijn om partijdiscussies aan te vragen, wat minder ver gaat dan een referendum. Bij Groenlinks is de limiet 150 leden. Als zo’n platform als hierboven bestaat mag die limiet best wat omhoog, bijvoorbeeld tot 500 leden.

Afdelingen weer relevant maken

De meeste mensen worden lid vanwege de landelijke politiek. Vroeger ging je dan naar de lokale afdeling om (ook) over het landelijk beleid van de partij te praten. Dat heeft nu geen zin, de link tussen het lokale niveau en het landelijke is doorgesneden, deelname aan landelijke debatten is geïndividualiseerd en vindt grotendeels achter je computerscherm plaats. Afdelingen moeten weer relevant worden en het recht krijgen om amendementen en moties in te dienen op het landelijke congres. Een bescheiden drempel kan ingebouwd worden, bijv. als twee andere afdelingen mede-ondersteunen. Leden van een afdeling die naar een congres gaan moeten dan ook het recht krijgen namens die afdeling te spreken.

Ledenblad

 Onderlinge informatie, beschrijving van succesvolle partij-initiatieven, ledenbinding en discussie verdienen een ledenblad. Dat krijgt meer aandacht in de huiskamer van de leden dan een eventuele digitale informatievoorziening, die bovendien, zoals nu, propagandistisch eenrichtingsverkeer is. Zo’n ledenblad heeft een redactie met een redactiestatuut dat onafhankelijkheid van het partijbestuur en de landelijke en eurofracties garandeert.

Kortom, op naar een democratische ledenpartij!